Ferry André de la Porte heeft een klassiek fotografisch oeuvre opgebouwd, dat zich niet beperkt tot één richting of genre. Op zijn foto’s staat over het algemeen niet veel. Zoals in een muziekstuk de momenten van stilte een onmisbaar onderdeel van het geheel uitmaken, zo speelt ‘afwezigheid’ in zijn foto’s vaak een niet weeg te denken rol. Daarnaast ruimt André de la Porte een belangrijke plaats in voor het curieuze; hij kan zich oprecht verwonderen over zaken waar andere mensen gedachteloos aan voorbij lopen. Zijn verwondering gaat vrijwel steeds gepaard met een milde glimlach. De sfeer die veel van zijn foto’s uitstralen kan verstild genoemd worden en grenst vaak aan het surrealistische.

1950
Leonard Louis Ferdinand (Ferry) André de la Porte wordt op 26 januari geboren in de Leidsestraat 78 te Amsterdam als zoon van Johan Hendrik André de la Porte (architect) en Ine van Leusden (edelsmid), dochter van de surrealistische schilder, tekenaar, etser en lithograaf Willem van Leusden (1886-1974).

1965
Ferry André de la Porte gaat voor zijn hobby fotograferen en richt op de zolderverdieping van de Leidsestraat 78 te Amsterdam een donkere kamer in.

1969-’70
Hij slaagt voor zijn eindexamen HBS en meldt zich aan voor de Rietveld Academie en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Hij wordt tot beide toegelaten, maar moet eerst in militaire dienst. Als hij al na enkele maanden de dienst verlaat, blijkt dat hij pas het volgend studiejaar aan de opleiding kan beginnen. Hij gaat als fotograaf aan de slag en ziet af van verdere studie.

1969
André de la Porte verblijft gedurende enkele maanden in New York en doet veel studiowerk bij een zekere Horowitz, reclamefotograaf aan Fifth Avenue.

1970
Hij doet een aantal klussen samen met popfotograaf Gijsbert Hanekroot. Via grafisch vormgever Pieter Brattinga (een kennis van een oom van Ferry) komt hij als leerling terecht bij Philip Mechanicus met wie hij tot 1987 verschillende studio’s en doka’s zal delen.

1971-heden
André de la Porte fotografeert voor Dick Bruna (portret- en productfotografie).

1972
Samen met beeldend kunstenares Mary Schoonheyt werkt hij aan een monumentale opdracht van het bestuur van de Nederlandse Omroep-Zendermaatschappij om het trappenhuis van het hoofdkwartier in Lopik een nieuw aanzien te geven.

1974-’76
Hij fotografeert voor De Tijd.

1975-’77
Hij fotografeert voor het blad Hollands Diep.

1976
André de la Porte huurt een ruimte aan de Prinsengracht 701 te Amsterdam waar hij een studio en een doka inricht. Hij deelt deze ruimte met Philip Mechanicus en diens assistent Floris Bergkamp.

1978
Ferry André de la Porte en Philip Mechanicus verhuizen hun studio en doka naar pakhuis De Waal aan de Prinsengracht te Amsterdam.

1978-’88
Ferry werkt samen met Pieter Brattinga aan affiches voor exposities in Rijksmuseum Kröller-Müller. (De samenwerking is, hoewel minder intensief, tot op heden blijven bestaan).

1979-’88
Hij fotografeert voor het filmblad Skoop (portretten, werkopnamen en stills).

1981
Ferry André de la Porte richt een studio en doka in zijn geboortehuis aan de Leidsestraat te Amsterdam in. Philip Mechanicus zal daar tot 1987 blijven werken.

1983
Het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur koopt een foto aan (vier bomen 1983 Bruxelles).

1983-’98
Ferry André de la Porte maakt met kunsthistorica Marion Peters, zijn levenspartner, diverse reizen naar Azië (Sri Lanka, Thailand, Indonesië, Sikkim en India).

1987-’88
Hij fotografeert voor het blad Quote.

1988
André de la Porte krijgt samen met Oscar van Alphen en Nick Sinclair een foto-opdracht van het Rijksmuseum met als thema ‘Oog voor kunst. De kunstwereld in Nederland’. Hij maakt vrijwel alle foto’s voor het boek De activiteiten van/The activities of Pieter Brattinga.

1988-’92
Hij wordt bestuurslid van de stichting F.J. Rotgans. Deze stichting stelt zich ten doel het werk van de fotograaf Frits Rotgans (1912-1978) te inventariseren, te doen conserveren en toegankelijk te maken. De ontsluiting van deze collectie geschiedt in 1989 en is het eerste project van het Nederlands Fotoarchief (nfa) in Rotterdam. In 1992 wordt de collectie officieel aan het nfa overgedragen. De stichting F.J. Rotgans leidt sindsdien een slapend bestaan.

1997
In januari en oktober fotografeert hij voor het vierde deel van een serie fotoboeken over het leven op Terschelling in de twintigste eeuw.

1998-heden
Hij bereidt met Marion Peters een boek en een tentoonstelling voor over de materiële overblijfselen van de Nederlandse aanwezigheid in India ten tijde van de Verenigde Oostindische Compagnie.

Beschouwing

typering van zijn oeuvre
Ferry André de la Porte werkt al sinds 1969 als freelance fotograaf.
Zijn familie en ook fotograaf Philip Mechanicus, bij wie hij in 1970 in de leer kwam, introduceerden hem al direct aan het begin van zijn carrière in het culturele circuit. Daarin is hij tot op de dag van vandaag actief. Hij fotografeerde popconcerten, maakte werkopnamen en stills van Nederlandse speelfilms, portretteerde schrijvers en beeldend kunstenaars, fotografeerde hun ateliers en hun werk, verzorgde de fotografie voor tientallen catalogi, maakte in samenwerking met vormgever Pieter Brattinga de foto’s voor affiches van het Kröller-Müller museum en leverde foto’s voor boekomslagen en een enkele platenhoes. Hij heeft zich de afgelopen dertig jaar in hoofdzaak bezig gehouden met journalistieke fotografie, reproductie- en productfotografie, bedrijfsreportages en portretfotografie. Zijn oeuvre bestaat uit ca. 80.000 zwart-wit negatieven en een onbekende hoeveelheid kleurmateriaal, afdrukken in zwart-wit en kleurendia’s.
Veel belangrijker dan zijn professionele fotografie vindt hij zijn vrije werk; daarin ziet hij zichzelf, ondanks zijn ervaring van dertig jaar, nog altijd als een ‘amateur’ in de ware zin van het woord, een liefhebber.

milieu
Ferry André de la Porte komt uit een artistiek milieu. Zijn grootvader van moeders zijde was de surrealistische schilder, tekenaar, etser en lithograaf Willem van Leusden. Zijn moeder had op het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (de voorloper van de Rietveld Academie) en in Schoonhoven gestudeerd voor edelsmid. Haar zuster was fotografe. Zijn vader had op hetzelfde Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs binnenhuisarchitectuur gestudeerd en was later ook praktiserend architect. Toen André de la Porte in 1969 eindexamen HBS had gedaan, drongen zijn ouders er sterk op aan dat hij naar het HEAO zou gaan. Hij voelde daar niets voor en wilde fotograaf of vormgever worden. Buiten medeweten van zijn ouders meldde hij zich aan bij de Rietveld Academie en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Tot beide werd hij toegelaten, maar hij moest eerst in militaire dienst.

vormingen en verwantschap
Nadat hij de militaire dienst reeds na enkele maanden met een S5 (een indicatie voor ongeschiktheid voor de dienst) had verlaten, bleek dat hij pas het volgend studiejaar met zijn opleiding kon beginnen. Hij ging
als fotograaf aan de slag en zou niet meer gaan studeren. Zijn eerste klussen deed hij samen met popfotograaf Gijsbert Hanekroot. Via de toen in New York woonachtige Nederlands beeldend kunstenaar Jan
Henderikse, bij wie hij door de schrijver Gerard Stigter (K. Schippers) was geïntroduceerd, kwam hij in New York terecht bij fotograaf Horowitz. Deze commerciële reclamefotograaf leerde hem stillevens fotograferen. Terug in Nederland, we schrijven 1970, bracht een oom hem in contact met de vormgever Pieter Brattinga. Deze bracht hem op zijn beurt in contact met Philip Mechanicus, die een studio en doka aan het Singel had. Mechanicus, die een beetje uitgekeken begon te raken op de fotografie en meer wilde gaan schrijven, had al een assistent, Floris Bergkamp, maar als onbetaalde kracht kon André de la Porte aan de slag. Hij nam veel dokawerk van Mechanicus over en maakte daardoor intensief kennis met de fotografie van Mechanicus. Deze heeft een behoorlijke invloed gehad op de jonge André de la Porte, net als Mechanicus op zijn beurt was beïnvloed door de tijd die hij bij Ad Windig als leerling had doorgebracht. Het grote belang dat Windig hechtte aan een perfecte druktechniek heeft Mechanicus weer aan André de la Porte overgedragen. En hoewel André de la Porte nooit echte voorbeelden in de fotografie heeft proberen na te volgen, is Windig een van de Nederlandse fotografen die hij bewondert en met wie hij een zekere verwantschap voelt. Andere namen die hij in dat verband noemt zijn die van Paul Huf, Ed van der Elsken en Johan van de Keuken. De belangrijkste buitenlandse fotografen voor wie dat geldt zijn Edward Weston (1886-1958), André Kertész (1894-1985) en Diane Arbus (1923-1971). Buiten de wereld van de fotografie is hij vooral beïnvloed door grafisch vormgever Pieter Brattinga, met wie hij in de jaren 1978-1988 samenwerkte bij het maken van affiches voor tentoonstellingen in Rijksmuseum Kröller-Müller in Otterlo. Brattinga leerde hem op een andere manier kijken. De foto’s moesten bruikbaar zijn voor de vormgever, hetgeen betekende dat de onderwerpen helder in
beeld moesten worden gebracht en dat er niet teveel op de foto’s moest staan, omdat er ook nog ruimte over diende te blijven voor de tekst.

freelance fotograaf
Ferry André de la Porte deelde vanaf 1970 ongeveer zeventien jaar lang een studio en donkere kamer met Philip Mechanicus. De eerste drie jaar stond André de la Porte voornamelijk in de doka. Mechanicus had van zijn eigen leermeester Ad Windig te horen gekregen, dat het zeker vijf jaar kost om het afdrukken goed onder de knie te krijgen, maar André de la Porte leerde snel en kreeg van Mechanicus de bijnaam ‘tovenaarsleerling’. Mechanicus bracht André de la Porte niet alleen het afdrukken bij. In Het Parool van 20 april 1996 zegt Mechanicus hierover:
“Ik heb later zelf ook een leerling gehad: Ferry André de la Porte. Die heb ik ook, net als Windig mij, leren praten, leren drinken, leren eten, leren biljarten en leren fotograferen.” Voor een aantal van deze lesonderdelen diende kunstenaarssociëteit De Kring als schoollokaal.
André de la Porte bouwde hier een uitgebreide vrienden- en kennissenkring op. Deze contacten leidden in de loop van de jaren ook tot het nodige werk. Zo fotografeerde hij vele jaren voor het filmblad Skoop, voor het culturele blad Hollands Diep (onder meer portretten van schrijvers), voor het katholieke weekblad De Tijd (bijvoorbeeld een reportage over politicus Dries van Agt) en voor het economisch tijdschrift Quote (bedrijfsreportages en portretten van zakenmensen). In 1988 verzorgde hij bijna alle fotografie voor het omvangrijke boek De activiteiten van/The activities of Pieter Brattinga. Via Pieter Brattinga werd hij ook de huisfotograaf van Mercis-Bruna, het bedrijf dat de merchandising van Dick Bruna-producten regelt.

India
In 1994 reisden Ferry André de la Porte en zijn levenspartner, de kunsthistorica Marion Peters, door India. In de buurt van Madras ontdekten zij een tempeltje. In de wanden en pilaren daarvan waren ruim tachtig namen van Nederlanders uitgehakt. Daaronder bevond zich ook die van Daniel Havart, de schrijver van het in 1693 gepubliceerde boek Op- en Ondergangh van Cormandel. Veel van de uitgehakte namen worden ook door Havart in zijn boek genoemd. Deze ontdekking leidde tot een omvangrijk en jarenlang onderzoek door Peters en André de la Porte naar de materiële overblijfselen (met name forten en grafstenen) van de Hollandse aanwezigheid aan de oostkust van India in de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie. Op de vier reizen die zij daar naar toe maakten (1994, 1996, 1997 en 1998) en die in totaal meer dan een jaar in beslag namen, schoot André de la Porte met zijn Hasselblad ontelbare rolletjes vol. De kwetsbaarheid van dit bijna vergeten Nederlands erfgoed wordt geïllustreerd door het feit, dat een deel van de tijdens de eerste reizen gefotografeerde objecten, zoals grafstenen, op latere reizen verdwenen bleek te zijn. Het verstilde karakter dat André de la Porte aan veel foto’s van deze omvangrijke serie meegaf, roept herinneringen op aan negentiende-eeuwse opnamen van fotografen als Isidore van Kinsbergen en Adolph Schäfer. Van de foto’s die André de la Porte op zijn reizen in India maakte, zal in 2002 (het VOC herdenkingsjaar) een boek worden uitgegeven en in het Rijksmuseum een tentoonstelling worden gehouden.

stijl
Al snel nadat hij begon te fotograferen, ontwikkelde André de la Porte, vooral in zijn vrije werk, een eigen stijl. Deze stijl, die nauw verband houdt met zijn ideeën over fotografie, sluit meer aan bij oudere generaties fotografen dan bij leeftijdgenoten, hoewel zijn werk in een aantal opzichten wel verwantschap vertoont met dat van de eveneens in 1950 geboren Paul den Hollander. André de la Porte houdt als estheet naar eigen zeggen van ‘nette, scherpe foto’s’. Er moet niet te veel op staan; alleen het meest noodzakelijke. Daarbij kan alles een onderwerp zijn, maar het moet op een originele manier in beeld worden gebracht, echter zonder trucs. André de la Porte is over het algemeen wars van ensceneren en van het oppeppen van minder geslaagde foto’s in de doka.
In zijn vrije werk komen over het algemeen vrij weinig mensen voor. Hij kiest veelal voor ‘simpele’ uitsneden uit de materiële werkelijkheid. Zo fotografeerde hij bijvoorbeeld in Indonesië een houten beeld van een paard. Wat valt er te zien? Een hoek die twee muren met elkaar maken en de hals en het hoofd van een paard. Het paardenhoofd staat vlak bij de muur en werpt daar een schaduw op. Meer staat er niet op de foto. Waarom laat André de la Porte niet meer zien van het paard en de omgeving? Waarom heeft hij het beeld niet verplaatst, zodat het niet zo ‘hinderlijk’ dicht bij de muur staat? Wie langer naar de foto kijkt, zal er niet aan kunnen ontkomen dat deze allerlei associaties oproept. Waarom straalt de foto zo’n eenzaamheid en treurigheid uit? Roept het herinneringen op aan het op school in de hoek moeten staan om de eigen zonden te overdenken? Doet het denken aan een paard dat zijn eigen, onafwendbare einde door de slagershand voorvoelt? De foto’s van André de la Porte geven zich pas echt bloot in de associaties van de toeschouwer (niet alleen ‘beauty’ maar ook ‘content is in the eye of the beholder’) en dat veronderstelt dat deze bereid is er de tijd voor te nemen.
Hoewel hij, waar het zijn eigen oeuvre betreft, niet erg gelooft in thema’s (“ik ben de verbindende factor”), zien we door de jaren heen in zijn foto’s wel een fascinatie voor bepaalde beeldelementen terugkeren. Geometrische vormen duiken in diverse gedaanten in zijn foto’s op: een hoek die twee wanden en het plafond met elkaar maken, kegelvormig en rechthoekig geknipte struiken en bomen, een gigantisch eivormig rotsblok, een cylindervormige strobaal. Daarnaast keren regelmatig dierlijke vormen terug: een opgezette zwaan, de kop van een ram, een wand vol geweien, de aangevreten kop van een opgezette tijger. Ook speelt hij met patronen en opvallende uitsneden uit de werkelijkheid die zijn foto’s soms een abstract karakter geven.

techniek
André de la Porte fotografeerde op de middelbare school met een Canon. Eind jaren zestig kocht hij een Pentax en later een Nikon F2.
In 1970 schafte hij zijn eerste Hasselblad aan. Hoewel hij in de loop van de jaren veel camera’s verzamelde, maakt hij voor zijn vrije werk, dat alleen uit zwartwitfoto’s bestaat, bij voorkeur gebruik van een Hasselblad met een standaard 80mm-lens. Hij houdt van een ‘eerlijke, ouderwetse’ manier van werken en is wars van kunstgrepen. Dat komt zowel tot uiting in zijn manier van fotograferen, als in zijn manier van afdrukken. Bij het fotograferen gaat hij steeds uit van de werkelijkheid zoals die zich aandient en hij grijpt vrijwel nooit in om het beeld interessanter te maken. Ook in de donkere kamer is hij zeer terughoudend. Hij heeft steeds gewerkt volgens het credo: “Fotograferen doe je met een fototoestel en niet in de donkere kamer.” Net als zijn leermeester uit het begin van de jaren zeventig is hij van mening dat afdrukken veel grijstonen dienen te bevatten. In het diepste zwart moet nog duidelijk tekening zitten en met het hoge wit worden de accenten aangegeven. Zijn afdrukken zijn over het algemeen vrij zacht en aan de donkere kant. André de la Porte maakt op een enkele uitzondering na uit principe altijd gebruik van het gehele negatief.

betekenis
Naast zijn professionele carrière als freelance fotograaf bouwt Ferry André de la Porte in zijn vrije werk al dertig jaar aan een bijzonder oeuvre. In de wereld van de fotografie is hij een individualist. Hij is niet geïnteresseerd in stromingen of trends, maar gaat onverstoorbaar zijn eigen gang. Ook heeft hij nooit de ambitie gehad om zelf trendsetter te worden en school te maken. André de la Porte noemt zichzelf een klassiek fotograaf en houdt van zorgvuldig afgedrukte foto’s. Hij is een liefhebber van de fotografie, die fotografeert voor andere liefhebbers, voor mensen die de tijd nemen om zijn foto’s, die een heel eigen idioom hebben, te leren verstaan. Wie meent dat er op zijn foto’s weinig te zien is en dat maar niets vindt, kan wellicht even stilstaan bij de woorden die Philip Mechanicus in 1981 over de foto’s van André de la Porte schreef: “Niets is zo moeilijk af te beelden als afwezigheid, niets is zo moeilijk af te beelden als niets.”

Uit: Geschiedenis Nederlandse Fotografie, Fotolexicon
uitg. Voetnoot

(bijschrift bij portretfoto door Martin Harlaar:
Ferry André de la Porte, ca. 1990
door Stanislav Tuma, Praag
ontwikkelgelatinezilverdruk
23,3 x 16,2 cm
Herkomst: Ferry André de la Porte, Amsterdam)

Ferry Andre de la Port op Wikipedia